Hij is best een toffe vent, hoor, onze chef. We kennen ‘m langer dan vandaag. Hij brult, wij luisteren. Zo is de taakverdeling. Simpel. Vandaag is het gros pièce: boeuf Wellington met saus van truffel en morilles. De borden staan al warm. Terwijl de chef zijn handen afdroogt, roept hij ons bij elkaar. Voor de puntjes op de i. “We hebben hier niet voor niets de hele dag aan gewerkt. Dus geen gepruts: werk precies en snel.” Dat doen we. Altijd. Maar hij pepert het er toch weer in (en geef ‘m eens ongelijk). Dan verschijnt het gezicht van de projectmanager achter de klapdeur: “Chef, over tien minuten kan de pièce mee. Conform draaiboek.” Gespannen rust daalt neer. Le moment suprême nadert. De damp slaat bijna van de borden af. We schuiven ze de pass op. Eén voor één. Maar op tempo. We trancheren de boeuf. Eén collega staat paraat met saus, de ander met schaaf en verse truffel. De chef buigt zich over de eerste borden. Met uiterste precisie. En topconcentratie. Klik-klik, de saus vloeit. Krullen truffel waaieren uit over het vlees uit. De finishing touch. Onmisbaar. De kelners popelen om de eerste drie borden mee te nemen.

